Grensovergang Albanië

Officieel document vereist...

Het volgende citaal komt uit Het leven van een landloper. Hierin beschrijft den Doolaard hoe hij in de jaren dertig voor het eerst de grens van Albanië passeert:

"De eerste plek waar ik wat geld zou kunnen optrommelen was Sarajevo, waar ik in de marktwijk een vriend had. De kortste route van Saloniki daarheen liep, zoals de kaart mij leerde, door Albanië, waar ik trouwens nog nooit geweest was. Op vertoon van mijn perskaart kreeg ik een gratis visum voor een land dat niet Albanië bleek te heten maar Shqipni (…)

In de rugzak pakte ik wat toiletgerief, een handdoek, een zakdoek, mijn bespijkerde bergschoenen, één schoon hemd, de slaapzak en de fotoboel. Nu had ik mijn steedse costuum en verdere nette spullen niet meer nodig. De schrijfmachine ging ook in de koffer, een bereidwillige beambte plakte een douanezegel over het slot en de koffer verdween over de toonbank van het goederenstation - vracht te voldoen in Belgrado. Op het goederenstation vond ik meteen een vrachtauto met zakken meel, die naar Florina moest. Ik sliep in de garage en liep de laatste 25 km naar de grens van Shqipni.

De rood-zwarte slagboom en het met een zwarte adelaar beschilderde rode schildwachthuisje tekenden zich dreigend af tegen de gele morgenhemel die zich laag boven de grintvlakte stulpte. Voor het schildwachthuisje stond een soldaat, de bajonet op het geweer. Tegen de slagboom lummelde een manspersoon zonder bajonet en zonder geweer; maar zijn ogen staken en zijn snorren hadden de vorm van spitse dolken. Hij zag er ongemakkelijker uit dan de Grieken, die mij net zonder één woord hadden uitgeklaard.

Ik overhandigde hem mijn paspoort, en mijn duim wees naar de dubbele adelaar van blauwe inkt. Hij haalde minachtend de schouders op, bladerde het boekje door terwijl hij het ondersteboven hield, likte voor het omslaan van elke bladzijde aan zijn smoezelige wijsvinger, keek somber, gaf er de brui aan en schoof mij het paspoort toe met een afgebeten 'Nix good'.

Nix good ... In later jaren zouden die woorden aan vele grenzen weerklinken en vluchtelingen tot wanhoop drijven, wier leven aan een papiervezel hing. Dit hier was nog maar een grapje; ik had klaarblijkelijk met een van de imbecielen en analfabeten te doen, die voor de oorlog speciaal op de Balkan dienst deden op stille grensposten, waar zij als kleine, almachtige en omkoopbare potentaatjes op fooien visten. Maar ik had geen geld te missen, en verder bezat ik nog een ander document.

In het begin van mijn Balkanzwerftochten had ik in Belgrado een zeer bereisde oude Britse journalist ontmoet. Hij was op zijn laatste reportage en schiep er behagen in om een jong broekje als ik was wegwijs te maken. ‘Documenten,' legde hij mij uit, 'hoeven in deze hemelstreken, het Nabije en Verre Oosten, helemaal niet echt te zijn; de voornaamste eis is daarentegen dat ze er indrukwekkend uitzien. De helft van de grensbeambten kan nauwelijks spellen, maar ze kruipen in hun schulp voor documenten met stempels, vooral veel stempels; wat er opstaat komt er niet op aan.'

Hij liet mij zien wat hij zijn 'Sesam open u' noemde. Uit een metalen kokertje haalde hij een rolletje wit leer dat in het Arabisch, Turks en Engels zijn indrukwekkende persoonsbeschrijving behelsde, door hem zelf vervaardigd. Aan de benedenrand, aan witte, paarse, groene en rode lintjes, hingen een dozijn lakzegels, waarop ik, behalve adelaren van diverse vleugelwijdte, ook een vliegend paard zag, een briesende leeuwen een spuitende fontein. Hij had ze stuk voor stuk door een stempelsnijder laten maken. In de loop der jaren, zei hij, hadden ze ruimschoots hun kosten opgebracht, wanneer de gewone visa door ongeneeslijke of geldbegerige botterikken voor ongeldig werden verklaard.

Ik volgde zijn goede raad, in het bescheidene dan; want ik slaagde er niet in om zoals hij een lap Perzisch woudezelinnenleer te bemachtigen. Ik benutte doodgewoon mijn pokkenbriefje van de lagere school te ' s Gravenhage, dat uiteraard met een fraaie ooievaar was versierd. In een boterhandel te Leidsendam vond ik een stempel met een koe; op de Veluwe een stempel met een bijenkorf. Op diverse consulaten maakte ik misbruik van de stempels, als de aandacht der ambtenaren door een chef of een telefonade was afgeleid. Zo had ik in de loop van een paar jaar mijn pokkenbriefje met minstens twintig indrukwekkende stempels weten te verluchten. Nu was eindelijk het ogenblik aangebroken om het voor de eerste maal te beproeven. Gelukkig had ik het op linnen geplakt, zodat het er ogelijk uitzag.

'Nix good?', antwoordde ik in koele verontwaardiging. 'Momento, signore, momento!' Per slot van rekening was Albanië een Italiaans protectoraat. Ik hield hem mijn gestempelde dierentuin onder de neus. 'Evo passaporto diplomatico!'
Eén blik op de stempels en de man deinsde terug. Hij opende de slagboom, ik schreed er onderdoor en stond in het Shqipni van de Mbret."

Uit: Het leven van een landloper (1e druk, 1958, p. 124-126)