Hoenderloo 308

Toespraak van Hans van de Waarsenburg bij de opening van de A. den Doolaard expositie in Apeldoorn, 7 april 2006

Toen  ik voor de eerste keer naar de Miggelenbergerweg in Hoenderloo telefoneerde, hoorde ik: 'Hoenderloo 308'. Ik heb snel de telefoon neergelegd en  ben de ledenlijst van het PEN Centrum voor Nederland gaan bestuderen. Ik begreep er niets van. Later kwam ik erachter dat men in Engeland de telefoon op deze manier opnam. En werd een telefoontje vanuit de Miggelenbergerweg bij mij thuis gewoon HOENDERLOO 308 genoemd. ‘Heeft er nog iemand gebeld?’ vroeg ik aan een van mijn kinderen. ‘Hoenderloo 308 belt straks terug’ was het antwoord dan. Den Doolaard dus.

Ik heb het voorrecht gehad deze unieke man niet alleen te leren kennen maar ook bevriend met hem te raken. A. den Doolaard, op het internet wordt de voorletter A. diverse keren nog steeds voluit omschreven als Aad, mocht ik enige tijd na onze kennismaking Bob noemen. Daar was ik trots op, want ik keek huizenhoog tegen hem op. Uiteindelijk was hij de eerste Nederlandse bestsellerschrijver en een beroemde persoonlijkheid. De grondlegger en voorloper van de Nederlandse literaire reisjournalistiek. Schrijvers en dichters als Bertus Aafjes, Cees Nooteboom en Jan Brokken zijn hem zonder meer schatplichtig.

Onze eerste ontmoeting moet hem niet bevallen zijn. Ik werd tot ieders en mijn eigen verbazing tijdens een Algemene Ledenvergadering van het PEN Centrum voor Nederland in Amsterdam tot bestuurslid gekozen. De oude Victor van Vriesland was radicaal tegen, maar hij kon het tij niet keren. Vrij snel daarna werd ik adjunct- secretaris van het PEN Centrum voor Nederland, om zelfs  kort daarna algemeen secretaris te worden. Een bliksemcarrière binnen een jaar. Een stunt die later nooit meer is herhaald. Voor Bob was dit teveel en te snel. Hoe kon een snotneus die nog geen dertig was en daarbij bovendien langharig en die een uitgebreide baard onder zijn kin liet woekeren, deel uit maken van een zo eerbiedwaardige organisatie als de PEN?

Hij probeerde het me systematisch moeilijk te maken binnen het bestuur. Ik had dan ook geen ervaring vanuit zijn optie. In het begin lachte ik als hij me met zijn pijp in de mond, rookblazend aansprak met de mededeling dat notulen onder de tien pagina’s geen notulen waren en daarom moesten worden afgekeurd. Maar beduusd door zijn autoriteit en mijn onwetendheid, schreef ik voortaan wel notulen die een omvang van  vijftien tot twintig pagina’s hadden. Maar ook dan had de oude Bob nog commentaar, dat ik weer in de volgende notulen moest verwerken. Ik kon zijn bloed af en toe wel drinken. Maar door zijn consequente optreden binnen de bestuursvergaderingen en zijn grote kennis inzake de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid en zijn uitgebreide internationale ervaring dwong hij bij mij veel respect af. Bob straalde niet alleen autoriteit uit, hij wàs een autoriteit. En soms stonden we na afloop van een vergadering met een borrel in de hand wat te ginnegappen en kon hij onverwachts vragen ‘Zo, jongen. Je stond weer eens in de krant. Wat had je weer uitgevreten?’ Met een zekere gretigheid luisterde hij dan  naar mijn avonturen.

Na  mijn benoeming tot algemeen secretaris van de Nederlandse PEN, kwam ik in een circuit terecht dat ik totaal niet kende. Bob wel. ‘We moeten naar een congres in Edinburgh. Regel jij de reis en het hotel?’ ‘Hoe …’ ‘Dat zoek je maar uit en houd er rekening mee dat we vertrekken vanuit Hoenderloo. Je komt dus de avond tevoren bij ons logeren. Van daaruit rijden we met mijn Lada naar Schiphol.’

Uiteindelijk heeft hij de reis zelf geregeld via zijn connecties met de KLM. Dat bleek uiteindelijk goedkoper dan via een reisbureau. De middag voor ons vertrek meldde ik me keurig op de afgesproken tijd. Ik wist niet wat boven mijn hoofd hing en waar ik in terecht zou komen. Zo ontmoette ik voor het eerst zijn vrouw Erie, die ik in de verste verte niet met Wampie associeerde. Daar maakte ze me later wel op attent. We raakten diezelfde avond op elkaar gesteld. Erie bemoederde me vanaf het begin en als Bob te ver ging in zijn absolute of paternalistische  uitspraken werd hij door haar onmiddellijk terug gefloten.

Ze hadden speciaal Limburgs bier voor mij in huis gehaald. Ik kreeg mijn eerste lessen ‘PEN –Congres’, sputterde af en toe wat tegen omdat ik het niet zag zitten meer dan zes uur per dag te vergaderen en ik was ook niet van plan nog uitgebreider te moeten notuleren dan ik gewend was. ‘En verder verwacht ik van je, dat je de drukproeven van mijn nieuwe boek  Ogen op de rug (dat in 1971 zou verschijnen) vannacht doorleest en eventuele fouten corrigeert,’ sprak hij aan het einde van de avond. Het onbehaaglijke gevoel dat Bob me beschouwde als zijn particulier secretaris werd weer eens bevestigd en daar had ik steeds minder zin in. Maar ondertussen logeerde ik wel bij een van de beroemdste Nederlandse schrijvers en mocht ik de nacht doorbrengen in een van de kamers van zijn dochters, Milja of Branda. Een meisjeskamer waar de tijd had stil gestaan. Poppen, tapijtjes, kinderfrutsels, herinneringen aan Bob’s reizen. Ik las de drukproeven tot diep in de nacht en was diep onder de indruk van dit schrijversleven.

De volgende morgen, voor mijn gevoel heel vroeg, heb ik mijn bagage in de kofferbak van zijn  Russische Lada gelegd en ben naast de bestuurdersplaats gaan zitten. Bob zag eruit of hij ten strijde trok. Hem kon tijdens deze barre reis niets overkomen, dacht hij. Hij startte de Lada of er een autorace gewonnen moest worden. En toen volgde een verschrikkelijke rit naar Schiphol. Bob was in die tijd ongeveer zeventig jaar oud, maar hij scheurde of hij net zijn rijbewijs had gehaald. Bij iedere bocht op de Veluwe, claxonneerde hij alsof hij achtervolgd werd (‘In Joegoslavië claxonneren ze bij iedere bocht’)  Voorrangskruisingen, rode stoplichten, hij keek niet op of om, reed gewoon rechtdoor. Schiphol, daar moesten we naar toe. De jonge dichter, toch al geen held in auto’s, stond doodsangsten uit. En Bob maar lachen als ik weer eens kreunde of mijn voeten schrap zette. ‘We komen er wel,’ sprak hij bemoedigend.

Tijdens het inchecken stonden we in een lange rij. Ik zag aan zijn hele lichaamshouding dat hij een hekel aan wachten had. Onrustig keek hij telkens om zich heen. Het leek wel of hij nerveuzer was dan ik, die mijn luchtdoop moest ondergaan. Uiteindelijk opgestegen, ik met mijn ogen dicht, de stoelleuningen krampachtig omvattend, legde hij me uit dat ik echt niet bang hoefde te zijn.
‘Het is heel eenvoudig. Buiten is het nu 62 graden onder nul. Stel dat het vliegtuig nu uit elkaar zou knallen, dan bevries je onmiddellijk. Je wordt gewoon een klompje ijs en voelt niets meer. Of neem nu zo’n stoelriem. Persoonlijk heb ik er een hekel aan, maar je moet hem aangorden, want als het vliegtuig in een luchtzak terecht komt en je hebt die stoelriem niet vast zitten, dan schiet jij omhoog en knal je met je kop tegen het bagageruim en breek je gegarandeerd je nek.’

Het werd een vervelende reis. Door dichte mist konden we in Londen niet landen en werden we volgens Bob ‘opgestapeld’ om rondjes te vliegen tot we aan de beurt waren om te landen. De uitdrukking ‘We vliegen door de erwtensoep’, dichte mist dus, heb ik aan hem te danken en wordt nog steeds toepasselijk gebruikt. Toen we eindelijk geland waren, misten we op het nippertje het vliegtuig naar Edinburgh. We moesten tot ’s avonds wachten. Het vliegveld Heathrow lag er op die zondag stil en uitgestorven bij. Alles was gesloten. Maar Bob liet het er niet bij zitten. Ik moest op  de bagage passen en hij ging op pad, maar kwam een half uur later met lege handen terug. ‘Er valt hier helemaal niets te eten of te drinken,’ zei hij chagrijnig. ‘Waardeloos’.

Na een uur bokkig zwijgen kreeg ik een stomp tegen mijn schouder. ‘Kom op met die jenever. Ik ga dood van de dorst.’ Ik haalde mijn fles taxfree gekochte jenever te voorschijn en gaf die aan hem. Bob draaide de dop eraf, zette de fles aan zijn mond en nam een flinke slok. Daarna was ik aan de beurt. Ik moest vertellen was ik van zijn nieuwe boek vond en ik liet hem op mijn beurt over Macedonië vertellen, niet wetend dat ik een jaar later in zijn voetsporen zou treden. En als Bob aan het vertellen sloeg, verdween de tijd. Dat merkten we toen de laatste oproep voor ‘de reizigers naar Edinburgh’ weerklonk. De bijna lege fles jenever lieten we achter en we holden naar de ‘gate’. Met het propellervliegtuig kwamen we in een enorme storm terecht. Het angstzweet droop van mijn gezicht, maar Bob gaf geen kik. Hij staarde roerloos voor zich uit en mompelde af en toe dat hij barstte van de honger. In Edinburgh konden we niet landen. We moesten uitwijken naar het vliegveld van Glasgow. Daar stond een bus klaar om ons naar E. te brengen. Uiteindelijk kwamen we ’s avonds om elf uur in ons hotel aan. We waren alle twee doodmoe, hongerig en dorstig.

Toen ik mijn bagage had uitgepakt ging ik terug naar de lobby, waar Bob al zat en ijverig de menukaart bestudeerde.’Ik ga wat sandwiches bestellen en twee grote glazen bier’ zei hij. Hij verdween en kwam een kwartier later woedend terug. Er was geen bediening  en de keuken was gesloten. Teleurgesteld bleven we in de lobby hangen. Op zoek naar een toilet dwaalde ik door het donkere hotel en zag dat er een deur op een kier stond en dat daarachter licht brandde. Ik keek door de kier en zag dat het de keuken van het hotel was. De kok, die nog aan het opruimen was, schrok toen hij mijn stem hoorde. Ik vertelde beknopt het verhaal van de zware reisdag en voegde er aan toe dat we uitgeput, hongerig en dorstig waren. Of hij misschien wat sandwiches naar de lobby kon brengen, vergezeld van een paar flesjes bier en een paar glazen whiskey?

Terug in de lobby zei Bob dat hij nog een sigaar rookte en dan maar met een knorrende maag naar bed ging. Enkele minuten later bracht de kok een enorm plateau met sandwiches, fruit, flessen bier, water en whisky. Het gezicht van Bob toonde beurtelings grote verbazing en opluchting. De neiging om zijn mond met een sandwich vol te proppen kon hij nauwelijks bedwingen. ‘Dankzij deze jongeman zult u niet van de honger omkomen,’ merkte de kok fijntjes op. Hij wenste ons nog een prettige avond. Zonder een woord te zeggen begon Bob te eten en te drinken. Toen zijn eerste honger gestild was keek  hij me aan en zei:  ‘Met jou kun je op reis gaan.’
Ik wist dat ik niet meer stuk kon.

Ik heb met hem een aantal PEN – congressen in diverse landen bijgewoond. Den Doolaard was niet alleen vice-voorzitter van het PEN-Centrum voor Nederland, maar werd later ook International Vice President van Pen International. Een hoge erefunctie die hij terecht verdiende. Maar Bob was niet algemeen geliefd binnen de wereld van de internationale PEN. Hij was een  anti-communist en dat stak hij in die dagen en jaren van de Koude Oorlog niet onder stoelen of banken.. Ik herinner me dat hij de toenmalige voorzitter van het PEN Centrum van de DDR binnen en buiten de vergadering consequent aansprak met ‘My dear enemy’, Hij was een geducht en gevreesd verdediger  van ‘het vrije woord’ en de ‘vrijheid van meningsuiting’. Hypocriet gedrag attaqueerde hij meedogenloos en aan PEN - politieke spelletjes had hij een bloedhekel.

Binnen de internationale PEN was hij een instituut, om niet te zeggen een monument. Vriend en vijand wachtten tot hij het woord zou voeren. En dat deed hij altijd onverwacht met een oude Engelse vergadertruc. ‘On a point of order Mr. President’ riep hij, terwijl hij zijn knokige hand in de lucht stak en met een stapel papieren zwaaide. Veel nieuwe centra, de internationale PEN begon in het begin van de jaren 70 te groeien, waren van dit soort regels niet op de hoogte en zo kon Bob vele vergaderingen naar zijn hand zetten. En daar had hij enorm veel plezier in. Tergen, zuigen, pesten en dan een van de communistische centra, liefst het hele communistische blok binnen de internationale PEN een knock – out toe dienen, daar genoot hij van.

Buiten het ‘officiële Pen-gedoe’, zoals hij het noemde,  had hij zijn voortdurende twijfels. ‘Je kan wel een resolutie ondersteunen voor een gevangen schrijver en die naar de officiële instanties doorsturen, maar wat schiet die gevangen schrijver of zijn familie daarmee op?’ was een vraag die hij zich bleef stellen. Zijn oplossing was helder en eenvoudig: je kon wel uren kletsen en debatteren, maar daar schoten gevangen schrijvers niets mee op. Daadwerkelijke hulp, was zijn oplossing. Er moest een fonds komen dat geld ging inzamelen om zieke, gevangen, gehandicapte collega-schrijvers daadwerkelijk te ondersteunen. En daadwerkelijk betekende eenvoudig, dat er geld gestuurd / gebracht moest worden naar schrijnende gevallen, waar ook ter wereld. Daarvoor richtte hij het ‘Schrijvers in Nood Fonds’ op,  het ‘Writers Emergency Fund’ dat nu een zeer respectabel en gewaardeerd onderdeel uit maakt van PEN International en nog altijd volgens de ideeën van Bob noodlijdende schrijvers helpt. Terugkijkend is het verbazingwekkend hoe hij gelden wist binnen te halen voor zijn ideaal. Stap voor stap boorde hij financiële bronnen aan en wist hij een netwerk over de hele wereld te organiseren, waardoor hij de binnengehaalde gelden aan collega’s kon spenderen.

Dit tijdsbestek is te kort om de vele herinneringen op te halen, om meerdere saillante anekdotes te vertellen, om uit zijn strijdbare, maar ook geestige brieven te citeren. Ik heb het voorrecht gehad om bevriend te zijn met een schrijver van grote allure, te groot voor Nederland. Zijn liefde voor Macedonië en de Balkan is een erfenis die hij me heeft nagelaten. In het begin van dit verhaal refereerde ik er al aan. In augustus 1971 werd ik uitgenodigd om deel te nemen aan een poëziefestival in Ohrid. Ohrid? Macedonië? De bruiloft? De Boom? Ik was 28 en stapte in die betoverende wereld van Macedonië en was verkocht.

Ik ben er veel teruggekeerd, maar nooit te voet. Toen ik vorig jaar weer eens in Ohrid verbleef bleek de eeuwenoude boom, die als het ware symbool stond voor De bruilof van de zeven zigeuners, verdwenen. Daarom wil ik afsluiten met een prettige mededeling. Op het internet ontdekte ik een persbericht, waarin wordt gemeld dat op 28 mei a.s. in Ohrid (Macedonië) een standbeeld  zal worden onthuld ter ere van A. den Doolaard. Ook zal er een plein naar hem worden vernoemd.

Een waardig eerbetoon aan deze ‘militante humanist’ zoals criticius en essayist Carel Dinaux  Bob den Doolaard ooit eens noemde.

Hans van de Waarsenburg